Plomp verloren voelde ik me
moederziel alleen in dit grote gebouw.
Mijn advocaat naast me,
volgens mij ook alleen maar voor zijn centen.
Voor me zat een hele dikke man,
met een zwarte cape en een soort witte stropdas
onder zijn dikke hangkin.
In zijn wenkbrauwen kon je krulspelden zetten, 
zo lang waren zijn haren.
Hij keek ook een beetje scheel.
Hoe langer ik naar hem keek,
hoe lelijker ik hem vond.
Zijn gezicht zat vol met diepe plooien.
Een bulderende stem:
Over sociaal gedrag en…….de rest.

Spui maar vent,
‘t zal mij worst wezen,
zonde van z’n tijd om zich met mij te bemoeien.
't Gaat het laatste jaar goed met me.
Maar goed, preken kon hij, nou ja, bulderen.

Beatrix hing boven hem.
(jammer dat het schilderij niet op zijn hoofd valt)
Keek mij met een liefdevolle blik aan, zo van:
Wacht maar ventje, komt nog goed met je,
de tijd zal het leren.

Eindelijk was ie uitgepreekt. Ouwe koek.
Was mij allang allemaal verteld,
hoe het anders moet.
Maar goed,
ik wachtte op de uitspraak.
Viel mee, na die donderende preek.

Ik mocht gaan,                      
hij keek me aan met een blik van:
“Zo manneke, dat heb ik jou eens mooi verteld”.

Weet je, hij snapt mijn leventje toch niet.
Weer liet ik m’n blik gaan over het schilderij van Beatrix.
Het Wilhelmus klok door m’n hoofd:
“Dat ik toch vroom mag blijven”… 

eh……
Gauw naar huis! Voordat ik echt vroom word!
Weer een ervaring rijker.

Maar…….. je er moet niet teveel komen
in een rechtszaal


Cees van Wijgerden